Er gaan dagen voorbij zonder dat Klaas Verplancke een lijn op papier zet, hoewel hij ook dan volop aan het tekenen is. Binnenshoofds is het een drukte van belang: uit een chaos aan gedachten, indrukken en herinneringen doemen beelden op die langzaamaan vorm krijgen. Wanneer hij eenmaal begint te tekenen, weet hij precies welk beeld het zal opleveren. Zijn hand volgt nauwgezet de gedachtenkronkels en de uiteindelijke tekening is een blauwdruk van wat er in het hoofd is omgegaan. Het aandeel van het denkwerk in de illustratie? Tachtig procent, schat hij.
‘Ik teken eigenlijk nooit de buitenkant van een mens,’ zegt hij. ‘Altijd de binnenkant. Ik keer hem binnenstebuiten.’
Illustreren is voor hem een perfect alibi om rond te kijken in het hoofd van de schrijver. In de projecten die hij aanpakt, zoekt hij naar ideeën en gevoelens die hij universeel noemt, verhalen van alle tijden en van alle plaatsen.
In beelden probeert hij te vatten wat onzichtbaar is. Al die gevoelens die we allemaal aan den lijve ondervinden maar waarvan we ons geen voorstelling kunnen maken: hoe teken je vreugde, eenzaamheid, verliefdheid, hoop, verdriet? Hoe geef je zulke abstracte begrippen een gezicht dat verrassend is en toch onmiddellijk herkenbaar? Dat is de opgave die hij zichzelf als tekenaar stelt.
Ondanks alle uiterlijke verschillen en het schijnbaar moeiteloze gemak waarmee hij van stijlregister wisselt, getuigen al zijn boeken van eenzelfde opvatting van wat illustreren zou moeten zijn. Geen beelden van ‘hap snap alles weg’. De tekeningen van Klaas Verplancke zijn kleine dozen van Pandora: wie ze opent, weet nooit wat hij zal aantreffen.
© Pieter van Oudheusden, fragmenten uit The First Klaasbook

© foto Koen Broos